Biologische
wijn bestaat wettelijk gezien in feite niet. Europa kent enkel druiven
afkomstig van de biologische landbouw. Dit subtiele verschil is ontstaan omdat
er geen erkend lastenboek bestaat omtrent het transformatieproces van druiven
afkomstig van de biologische of biodynamische teelt of de most ervan naar wijn.
In landen waar de wetgeving minder
strikt is (vb. USA) wordt op de fles wel “organic wine” (biologische wijn)
vermeld.
De biologische teelt
In de
biologische landbouw gebruikt men geen producten afkomstig van de synthetische
scheikunde zoals kunstmatige meststoffen, insecticiden, herbiciden, fungiciden
of pesticiden en dus ook niet in de wijngaard.Enkel erkende biologische
bestrijdingsmiddelen zijn toegelaten. Met kompost, organische meststoffen en
veelvuldige mechanische bewerking wordt de grond luchtig gemaakt om het
bodemleven te stimuleren en de humuswaarde te verhogen. Er wordt een strook
gras en kruiden tussen de ranken gelaten om erosie van de grond tegen te gaan
en om regen snel te kunnen absorberen. Tegen belagers van de wijngaard worden
natuurlijke vijanden (vogels en nuttige insecten) aangetrokken.Wat wel nog
toegelaten is, hoewel sommige biodynamici daar kritiek op hebben, is “Bordelese
pap”, een mengsel van kopersulfaat en kalk dat gebruikt wordt tegen valse
meeldauw en echte meeldauw, twee schimmelziekten.
Wil men
op de fles het label Bio vermelden, moet men gecertificeerd worden door een
erkende organisatie zoals voor Frankrijk Nature et Progrès, Ecocert, AB, enz.
Die doen controles en analyses en reiken de certificaten uit of kunnen die ook
intrekken.Niet alle wijnboeren die biologisch werken laten zich
certificeren. Zij vinden de kosten te hoog of vinden de reglementen te strak of
niet strak genoeg. Weer anderen vermelden liever niet dat zij biologisch werken
om niemand voor het hoofd te stoten.
Bio
neemt een hoge vlucht. Op een jaar tijd bijvoorbeeld is in Bourgogne het aantal
hectaren dat overgeschakeld is op bio toegenomen met 11%.
Antoine
Faure, verantwoordelijke van Ecocert: “Over bio worden geen
achterhoedegevechten meer gevoerd; in tegendeel, het zijn de besten uit de
conventionele teelt die de overgang naar bio wagen, omdat voor deze manier van
werken een professionalisme vereist is dat niet binnen het bereik van iedereen
ligt”.
Domaine des Vignes Du Maynes, Cruzille, Bourgogne
Biodynamische
cultuur
De
biodynamische cultuur is een teeltwijze die veel verder gaat dan het niet
gebruiken van chemische producten. Ze draagt in de eerste plaats zorg voor de
bodem. Het gaat erom het evenwicht te verzekeren door die omstandigheden te
creëren die leiden tot harmonie tussen aarde, plant en omgeving.
Deze
manier van werken optimaliseert de bodemkwaliteit door het bevorderen van de
aanwezigheid van een grote diversiteit aan bacteriën en micro-organismen. Ze
zorgt voor een betere wortelgroei (langer en krachtiger) en een betere blad- en
bloemontwikkeling door de aanbreng van energie die nodig is voor een ideale
vruchtzetting. De wijngaard wordt beschouwd als een levend organisme. De
wisselwerking tussen de bodembiologie, het wortelsysteem van de wijnstok en
zijn bladeren zorgen ervoor dat de terroir tot uitdrukking komt in de druiven,
waardoor deze nadien kan sublimeren in de wijn.
De
biodynamische wijnbouw onderscheidt zich van de biologische door rekening te
houden met kosmische invloeden en met het ritme van de natuur (dag–nacht,
seizoenen) en door het gebruik van plantaardige, dierlijke en minerale
preparaten (van het homeopathische type), met het doel het evenwicht in de
ecologie van de wijngaard te herstellen en hem te revitaliseren, eerder dan te
moeten ingrijpen in geval van ziekten. Omdat wijnbouw een monocultuur is, is
het risico op onevenwicht groot, wat het werk in de wijngaard aanzienlijk maakt.
Het doel
van de biodynamische wijnboer is een wijn van hoge kwaliteit te produceren met
zijn eigen karakteristieken, afkomstig van de unieke elementen die de terroir
van zijn domein vormen. Daarin slagen is de persoonlijke verdienste van de
wijnboer.
Deze
ingesteldheid van de wijnboer geldt niet enkel in de wijngaard, maar dient hij
door te trekken in zijn vinificatieproces. Dan alleen kan een natuurlijke wijn
ontstaan.
Tot de
helft van vorige eeuw waren alle wijnen natuurlijk. Men had toen nog geen
batterij chemische en technische hulpmiddelen om op een “moderne” manier te
manipuleren. Niet dat alle wijn toen beter was, maar het waren wel
ongekunstelde wijnen, echte wijnen.
De
voorwaarden om natuurlijke wijn te maken zijn op dit ogenblik eigenlijk nog
steeds dezelfde. Alleen zijn de oenologische inzichten geëvolueerd en
vinifieert men liefst op een langzame manier en meestal op lage temperatuur,
zodat de fraîcheur en finesse behouden blijft.
Men laat de natuur zoveel mogelijk zelf het werk doen; de wijnboer begeleidt
dit proces en stuurt enkel bij indien nodig.
Om van
natuurlijke wijn te mogen spreken, dienen de druiven biologisch of biodynamisch
geteeld te zijn. Er mogen dus geen chemische meststoffen, herbiciden,
pesticiden en fungiciden gebruikt worden. De druiven worden manueel
geoogst op het moment dat ze optimaal gerijpt zijn. Chaptaliseren is dus niet
toegelaten. Lage rendementen en een strenge selectie bij de oogst zorgen voor
een voldoende potentieel van de most. Enkel de endogene gisten (van de
druivenschil en van de wijnkelder) zorgen voor de vergisting. De wijnboer
grijpt zo weinig mogelijk in en gebruikt geen additieven om smaak of geur te
beïnvloeden. De wijnen krijgen de tijd om volledig uit te gisten en verblijven zeer
lang “sur lie”. Filtreren gebeurt ofwel niet of enkel op een zachte manier.
Klaren kan eventueel met bijvoorbeeld bentoniet. Omdat overpompen een
agressieve methode is, wordt er naar alternatieven gezocht. De
vinificatiekelder wordt zó ingericht dat overhevelen door de zwaartekracht kan
gebeuren (hoogteverschil) of men gebruikt luchtdruk om de wijn zacht uit de
fusten en cuves te duwen, waardoor aroma en structuur in de wijn bewaard
blijft.
Sulfiet
wordt indien mogelijk achterwege gelaten of in minimale dosis gebruikt bij
gebrek aan een valabel alternatief.
Tafelwijn
Sedert
1992 zijn in de Europese unie regels vastgelegd over de herkomstbenamingen
(AOC)van producten.
In
Frankrijk stelt het INAO (Institut National des Appellations d’Origine) middels
decreten aan welke eisen een wijn dient te voldoen om representatief te zijn
voor een welbepaalde appellatie. Het instituut bepaalt het afgebakende
productiegebied, de toegelaten druivensoorten, de snoeiwijze, het aantal
wijnstokken per hectare, het minimum alcoholgehalte, de maximale opbrengst per
hectare (en de talrijke en ruime afwijkingen daarop), de vinficatiemethode tot
en met het etiket.Jaarlijks, in het begin van het kalenderjaar dat volgt op de
oogst, worden de wijnen geanalyseerd en geproefd.
In de
commissies die het AOC-label toekennen, zetelen meestal plaatselijke boeren die
dus over de wijnen van hun collega’s moeten oordelen.Veel wijnboeren die
natuurlijke wijnen maken zijn, op het moment dat de keuring gebeurt, nog niet
klaar met hun wijnen wegens de langzame vinificatiemethode. Bovendien hebben de
commissieleden, die zelf op de “klassieke” manier te werk gaan, veel moeite met
hun afwijkende methodes en het unieke smaakpatroon van de aangeboden wijnen en
weigeren die dan ook te erkennen als represenstatief voor hun AOC.
Nog anderen gaan niet akkoord met de opgelegde eisen van de appellatie en
willen hun eigen zin doen. Zij zijn van mening dat de decreten hen teveel
beperken in hun werkwijze om de terroir in hun wijnen tot uiting te laten
komen, of gebruiken niet goedgekeurde druivensoorten.
Daarom grijpen zij naast het AOC-label of weigeren het gewoonweg. Zij dienen
dan hun wijnen op de markt te brengen als “vin de table”, maar dragen dit label
als een geuzentitel.